Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2007:BA9269

Raad van State

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200607960/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WroArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning voor herbestemming schuur tot woning in landelijk gebied Oudewater

Het college van burgemeester en wethouders van Oudewater weigerde op 13 januari 2004 een bouwvergunning voor het geheel vernieuwen van een schuur tot woning. Het bezwaar van appellant werd op 28 februari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond op 22 september 2006. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

De schuur is een gemeentelijk monument en aangeduid als een MIP-pand in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Oudewater'. Het college beriep zich op het beleid dat in het landelijk gebied geen nieuwe burgerwoningen worden gebouwd, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan en het Streekplan 2005-2015. De rechtbank en de Raad van State oordeelden dat het college dit beleid in redelijkheid kon handhaven en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt.

De Raad van State verwierp het beroep van appellant, oordeelde dat het college de bouwvergunning terecht had geweigerd op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning voor de herbestemming van de schuur tot woning.

Uitspraak

200607960/1.
Datum uitspraak: 11 juli 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. SBR 2006/1655 van de rechtbank Utrecht van 22 september 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Oudewater.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het geheel vernieuwen van een schuur, gelegen aan de [locatie] te Oudewater, om deze als woning in gebruik te nemen.
Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Voor het procesverloop dat aan dit besluit vooraf is gegaan wordt verwezen naar de aangehechte uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 22 september 2006 (overwegingen 2.3, 2.4 en 2.5, eerste zin).
Bij uitspraak van 22 september 2006, verzonden op 25 september 2006, heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 28 februari 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 12 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H.A. Lantinga en mr. C.P.W. van den Berg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    In het geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Oudewater" is de onderhavige schuur aangeduid als een "MIP-pand". De schuur is aangewezen als gemeentelijk monument. Blijkens de bouwaanvraag is deze er op gericht om het gebruik van het bouwwerk te wijzigen van 'berging' in 'wonen'.
2.2.    Anders dan appellant heeft betoogd is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te weigeren.
Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis gehecht aan het standpunt van het college dat het, ook om precedentwerking te voorkomen, strikt de hand wenst te houden aan het beleid, zoals dat in het bestemmingsplan maar ook in het Streekplan 2005-2015 tot uitdrukking is gebracht, dat in het landelijk gebied geen nieuwe burgerwoningen worden gebouwd.
Voorts is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij afweging van de in het kader van dit geval in aanmerking te nemen belangen aan de argumenten van appellant geen doorslaggevende betekenis behoefde toe te kennen. Hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunt om tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank te komen.
Het beroep van appellant op het motiveringsbeginsel faalt. Uit de beslissing op het bezwaar blijkt in voldoende mate dat het college naast de ruimtelijke belangen ook de gestelde financiële belangen bij de besluitvorming heeft betrokken.
2.3.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007
202