Uitspraak
200501587/1, zodat appellante daarna weer gehouden was de vergunning van 25 april 1997 na te leven.
200508367/1 en 200508367/2.
Raad van State
Bij besluit van 7 juni 2006 legde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan appellante een last onder dwangsom op wegens overschrijding van de geluidsnormen uit een vergunning van 25 april 1997. Deze vergunning was na vernietiging van een latere vergunning uit 2005 weer van kracht. Diverse metingen toonden overschrijdingen van het maximale geluidniveau op verschillende locaties rond de inrichting van appellante.
Appellante voerde aan dat de herkomst van de geluidspiek op 5 april 2006 niet was onderzocht en dat het opleggen van een last onder dwangsom bij slechts één overschrijding niet proportioneel was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de overschrijding toerekenbaar was aan appellante en dat handhavend optreden in beginsel verplicht is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De stelling dat slechts één overtreding geen last onder dwangsom rechtvaardigt, werd verworpen.
Verder was er geen sprake van uitzicht op legalisatie, ondanks een vergunningaanvraag en verzoek om gedoogbesluit van appellante. Ook was geen sprake van incorrect gebruik van de last onder dwangsom om verplaatsing van het bedrijf af te dwingen. De hoogte van de dwangsom werd als redelijk beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overschrijding van de geluidsnormen wordt ongegrond verklaard.