Uitspraak
200308003/1, vernietigde bebouwingscontouren.
Raad van State
Bij besluit van 28 juni 2006 stelde de provincie Zuid-Holland de partiële herziening van het streekplan Zuid-Holland Oost 2003 vast, gericht op reparatie van bebouwingscontouren. Appellanten stelden beroep in tegen deze herziening en verzochten om een voorlopige voorziening. De Raad van State behandelde de zaak op 3 juli 2007 en besloot onmiddellijk uitspraak te doen.
De kern van het geschil betrof de vraag of de aanpassing van de bebouwingscontour rondom het bedrijf van appellanten als een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moest worden beschouwd. De Raad overwoog dat alleen besluiten die door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing zijn aangewezen, voor beroep vatbaar zijn. Een beroep tegen een niet als zodanig aangeduide beleidsuitspraak of tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, is niet ontvankelijk.
De Raad stelde vast dat de partiële herziening niet als concrete beleidsbeslissing was aangemerkt en dat het beroep feitelijk gericht was tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarom verklaarde de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.