ECLI:NL:RVS:2007:BB0354
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.J. den Broeder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte toegekende huursubsidie wegens niet-rechtmatig verblijf medebewoner
De Minister van Volkshuisvesting heeft bij besluiten van september en oktober 2005 de huursubsidie aan appellante over de tijdvakken 1 juli 2004 tot 1 januari 2006 op nihil gesteld en het onterecht betaalde bedrag van €1.368,48 teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar, dat door de Minister werd afgewezen. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de toepassing van de Huursubsidiewet, met name artikel 10 en Pro 36, die bepalen dat huursubsidie slechts wordt toegekend als medebewoners de Nederlandse nationaliteit bezitten of rechtmatig verblijf houden. Appellante voerde aan dat zij onderdak had verleend aan een minderjarig kind en diens moeder, en dat op grond van een Kamerbrief een uitzondering geldt voor alleenstaande minderjarige asielzoekers met verblijfstitelcode 98.
De Raad van State oordeelt dat deze uitzondering niet van toepassing is, omdat de minderjarige medebewoner niet alleenstaand is maar samen met de moeder verblijft. De terugvordering is daarom terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huursubsidie bevestigd.