Het college van burgemeester en wethouders van Bolsward verleende op 4 oktober 2005 een bouwvergunning en vrijstelling aan de Friese Greiden Groep voor het oprichten van een woongebouw aan de Looiersbuurt 2-50 te Bolsward. De Stichting Bolswards Historie (SBH) maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden verklaarde het bezwaar in eerste instantie gegrond, maar wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Later verklaarde dezelfde voorzieningenrechter het beroep ongegrond en wees opnieuw het verzoek om voorlopige voorziening af.
SBH verzocht vervolgens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter behandelde het verzoek en overwoog dat het oordeel van de voorzieningenrechter over de ruimtelijke onderbouwing voorlopig geldt en niet bindend is in de bodemprocedure. De Voorzitter stelde vast dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het college de vrijstelling en bouwvergunning onterecht heeft verleend.
Het bouwplan voorziet in 22 appartementen en enkele woon- of eetkamers voor gehandicapten, met een gebouwhoogte van maximaal 9,75 meter. Hoewel het plan in strijd is met het bestemmingsplan, is vrijstelling verleend op grond van artikel 19 WROPro. De ruimtelijke onderbouwing is naar voorlopig oordeel voldoende gemotiveerd, mede gezien het positieve advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning en vrijstelling wordt afgewezen.
Uitspraak
200703389/2.
Datum uitspraak: 31 juli 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de stichting "Stichting Bolswards Historie", gevestigd te Bolsward,
verzoekster,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/585 en 7/80 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 28 maart 2007 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Bolsward.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bolsward (hierna: het college) aan de Friese Greiden Groep bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel Looiersbuurt 2 tot en met 50 te Bolsward.
Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college het daartegen door onder meer verzoekster (hierna: SBH) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door SBH ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 februari 2006 vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 december 2006 heeft het college naar aanleiding van het door onder meer SBH gemaakte bezwaar de bouwvergunning en vrijstelling niet herroepen, doch in stand gelaten.
Bij uitspraak van 28 maart 2007, verzonden op 3 april 2007, heeft de voorzieningenrechter het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft SBH bij brief van 14 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2007.
Bij brief van 15 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2007, heeft SBH de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2007, waar SBH, vertegenwoordigd door mr. I.J. Woltman, advocaat te Bolsward, en R. Hofstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. de Hoo, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De voorzieningenrechter heeft bij voormelde uitspraak van 21 juni 2006 overwogen dat ten tijde van het nemen van het besluit van 14 februari 2006 niet was voldaan aan de in artikel 19 WROPro gestelde voorwaarden om tot vrijstelling over te kunnen gaan, omdat een geldig voorbereidingsbesluit ontbrak. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter voorts overwogen dat het project is voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing en het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het geldende bestemmingsplan.
In voormelde uitspraak van 28 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat in de uitspraak van 21 juni 2006 de beroepsgronden gericht tegen de ruimtelijke onderbouwing uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. In verband daarmee heeft de voorzieningenrechter overwogen dat hij van het gegeven oordeel over de ruimtelijke onderbouwing dient uit te gaan en daarmee gegeven is dat de ruimtelijke onderbouwing toereikend is.
2.3. SBH betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat in de uitspraak van 21 juni 2006 de beroepsgronden gericht tegen de ruimtelijke onderbouwing uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Volgens SBH zijn deze gronden door de voorzieningenrechter in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening behandeld en maken deze geen deel uit van de overwegingen in de hoofdzaak.
2.3.1. De bodemprocedure leent zich beter dan deze procedure voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat in de uitspraak van 21 juni 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel over de ruimtelijke onderbouwing is gegeven, maar vooralsnog bestaat onvoldoende grond om op voorhand aan te nemen dat dit oordeel onjuist is en dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven, nu de betreffende overwegingen over de beroepsgronden ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing deel uitmaken van de met toepassing van artikel 8:86 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gegeven uitspraak.
2.3.2. Ook in het geval dat moet worden geoordeeld dat de overwegingen van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 21 juni 2006 inzake de ruimtelijke onderbouwing slechts in het kader van de voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 vanPro de Awb zijn gegeven en deze overwegingen moeten worden afgesplitst van de uitspraak in het kader van artikel 8:86 vanPro de Awb, bestaat geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek. Voorshands zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college geen vrijstelling en bouwvergunning mocht verlenen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4. Het project voorziet in het oprichten van 22 appartementen dan wel wooneenheden en drie woon- dan wel eetkamers bestemd voor de huisvesting van verstandelijk en lichamelijk gehandicapte mensen. Het gebouw zal worden voorzien van een gelede massa in de opbouw en één tot drie bouwlagen bevatten, 9,25 meter hoog zijn, met een maximum van 9,75 meter ter hoogte van de liftschacht.
2.5. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Martinikerk e.o." ter plaatse geldende bestemmingen "bijzondere doeleinden" met de aanduiding "OB" en "groenvoorzieningen". Om medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen heeft de raad van de gemeente Bolsward toepassing gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De bevoegdheid om na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten vrijstelling te verlenen heeft de raad overgedragen aan het college.
2.6. Als ruimtelijke onderbouwing dient de notitie "Ruimtelijke onderbouwing Looiersbuurt 1a".
2.7. Naar voorlopig oordeel leidt hetgeen SBH heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de ruimtelijke onderbouwing overwegingen zijn opgenomen inzake de stedenbouwkundige inpassing van het te realiseren gebouw in de omgeving, met name ten opzichte van het "Hoog Bolwerk" en de Looiersbuurt, en is gemotiveerd hoe dit gebouw wat betreft hoogte en massa past in de omgeving.
Voorts wordt overwogen dat het te realiseren gebouw grotendeels is voorzien op de bestemming "bijzondere doeleinden" met de aanduiding"OB" op grond waarvan met een binnenplanse vrijstelling bebouwing mogelijk is met een goothoogte van maximaal 5,85 meter en een dakhelling van minimaal 45 graden. Weliswaar wijkt de hoogte van het te realiseren gebouw af van hetgeen op grond van het bestemmingsplan maximaal is toegestaan, maar deze afwijking is naar voorlopig oordeel niet zodanig groot dat het college om die reden geen vrijstelling had kunnen verlenen.
Voor zover SBH aanvoert dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd omdat het te realiseren gebouw in en boven het rijksmonument het "Hoog Bolwerk" zal worden opgericht en daarvoor geen vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 is verleend, wordt overwogen dat het te realiseren gebouw, zoals uit de gewijzigde bouwtekening van 7 juni 2006 blijkt, niet in het rijksmonument zal worden gerealiseerd, zodat naar voorlopig oordeel om die reden geen monumentenvergunning is vereist. Daarbij komt dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg bij brief van 5 augustus 2005 positief heeft geadviseerd omtrent het bouwplan zodat op voorhand niet valt aan te nemen dat, mocht een monumentenvergunning zijn vereist, een vergunning niet kan worden verleend.
2.8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.