Appellant, eigenaar van een supermarkt, verzocht de gemeenteraad om vergoeding van planschade als gevolg van het bestemmingsplan "Centrumlocatie" dat een uitbreiding van 1950 m2 detailhandelsvloeroppervlak mogelijk maakte. Hij stelde dat hierdoor de bestaande detailhandelstructuur ontwricht werd, wat inkomens- en vermogensschade veroorzaakte.
De gemeenteraad wees het verzoek af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank een te zware maatstaf hanteerde door te oordelen dat geen sprake was van een planologische verslechtering.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat bij de beoordeling van planschadevergoeding alleen ruimtelijke gevolgen relevant zijn en dat toegenomen concurrentie, hoewel een gevolg van de planologische wijziging, geen ruimtelijk relevant gevolg is. Daarom komt de gevorderde vergoeding van inkomens- en vermogensschade niet voor vergoeding in aanmerking.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.