ECLI:NL:RVS:2007:BB1723
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning na twijfel aan nationaliteit en taalanalyse
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, gebaseerd op zijn Libische nationaliteit. De minister wees dit verzoek af omdat appellant geen geloofwaardige bewijsstukken kon overleggen en de taalanalyse van het BLT concludeerde dat zijn spraak niet overeenkwam met het Libische dialect, maar eerder met Marokkaans.
Appellant stelde een contra-expertise van Bergman over, die op basis van twee opnames (A en B) concludeerde dat appellant waarschijnlijk uit Libië afkomstig was. De Raad oordeelde dat opname B niet als betrouwbaar tegenbewijs kon dienen omdat niet duidelijk was onder welke omstandigheden deze was gemaakt, en dat het BLT geen toegang had tot deze opname om deze te beoordelen.
Verder werd de deskundigheid van Bergman, ondanks het feit dat zij geen moedertaalspreker was, niet ter discussie gesteld. De Raad vond dat de minister redelijkerwijs op het BLT-rapport mocht vertrouwen en dat de contra-expertise onvoldoende concrete aanwijzingen bevatte om de taalanalyse te betwijfelen.
De Raad verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank die de afwijzing van de verblijfsvergunning handhaafde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.