ECLI:NL:RVS:2007:BB2117
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens medische behandeling
De minister van Buitenlandse Zaken wees een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het horen van de vreemdeling niet verplicht was omdat de bezwaren kennelijk ongegrond waren, mede omdat de vreemdeling geen nieuwe feiten of omstandigheden had ingebracht na toezending van het dossier.
Verder werd geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende had onderbouwd dat Nederland het meest aangewezen land was voor noodzakelijke medische behandeling, zoals vereist onder artikel 3.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De Afdeling verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.