ECLI:NL:RVS:2007:BB2142
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit CBR tot onderzoek rijvaardigheid na vermoeden onvoldoende rijvaardigheid
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om haar te verplichten zich aan een onderzoek naar haar rijvaardigheid te onderwerpen. Dit besluit volgde op een schriftelijke mededeling van de politie Haaglanden over vermoedens van onvoldoende rijvaardigheid, waaronder slingerend rijgedrag en onjuist gebruik van voertuigverlichting.
Appellante voerde aan dat het CBR ten onrechte geen gehoor aan haar had gegeven voorafgaand aan het besluit en dat het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid niet gegrond was, onder meer omdat zij niet slingerend had gereden en het proces-verbaal onjuist was. De voorzieningenrechter had het beroep ongegrond verklaard, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het CBR terecht is uitgegaan van het proces-verbaal van bevindingen dat door politieagenten op ambtseed is opgesteld en dat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunten te uiten tijdens een hoorzitting. Het feit dat haar rijbewijs was teruggegeven betekent niet dat zij niet verplicht zou zijn tot het onderzoek. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot onderzoek rijvaardigheid bevestigd.