Appellante, Beleggingsmaatschappij Westmaas B.V., verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie over de afdracht van overdrachtsbelasting in de periode 1994-1997 door een derde partij. De Staatssecretaris van Financiën wees dit verzoek bij besluit van 28 december 2004 af en handhaafde dit bij besluit op bezwaar van 4 augustus 2005. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing op bezwaar, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de gevraagde informatie vermoedelijk was vernietigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Staatssecretaris ten onrechte niet direct na ontvangst van het verzoek heeft onderzocht of de informatie nog beschikbaar was, wat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 AwbPro) inhoudt. De bewaartermijn voor fiscale stukken bedraagt zeven jaar, waarna vernietiging rechtmatig is, tenzij er een lopend Wob-verzoek is. Omdat het verzoek pas na de bewaartermijn werd gedaan, had de Staatssecretaris alsnog moeten onderzoeken of de informatie aanwezig was.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Staatssecretaris, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens veroordeelt zij de Minister van Financiën tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van de Staatssecretaris van Financiën wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende onderzoek naar de beschikbaarheid van de gevraagde informatie.
Uitspraak
200607673/1.
Datum uitspraak: 22 augustus 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Beleggingsmaatschappij Westmaas B.V.", gevestigd te 's-Gravenhage,
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/8403 van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 september 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Financiën.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 december 2004 heeft de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) het op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gebaseerde verzoek van appellante om informatie over de afdracht van overdrachtsbelasting in de periode 1994-1997 door [partij] afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 2005 heeft de staatssecretaris het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2006, verzonden op 14 september 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. van Maarschalkerweert, advocaat te Loenen aan de Vecht, is verschenen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de minister bij brief van 25 april 2007 een aantal vragen voorgelegd, waarop de minister bij brief van 10 mei 2007 heeft geantwoord. Appellante heeft daarop een reactie gegeven bij brief van 13 juni 2007.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 30 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. van Maarschalkerweert, advocaat te Loenen aan de Vecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.J. Matroos en mr. W.J.G. van Duijn, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In het besluit van 28 december 2004 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellante afgewezen. In bezwaar heeft hij dit besluit gehandhaafd en gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van de hem ingevolge het tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) toekomende mogelijkheid ontheffing te verlenen.
2.2. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Awr is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan van dit verbod ontheffing worden verleend.
2.3. De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hiertoe heeft zij, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister, alvorens te beslissen op het verzoek, ten onrechte, in afwijking van de uitgangspunten van de Wob, heeft nagelaten de gevraagde informatie te verzamelen. Zij heeft evenwel op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten omdat zij het aannemelijk acht dat deze informatie ten tijde van het verzoek vernietigd was.
2.4. Het verzoek van appellante heeft betrekking op informatie betreffende een andere belastingplichtige dan zij zelf, zodat, zoals de Afdeling onder meer eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 7 juni 2006 in zaak no. 200508335/1, artikel 67 AwrPro op de verzochte openbaarmaking van toepassing is en geheimhouding van die informatie in beginsel aan de orde is. De rechtbank is er in haar beoordeling terecht vanuit gegaan dat bij de vraag of hiervan ontheffing kon worden verleend, de staatssecretaris de maatstaven van de Wob als uitgangspunt diende te nemen.
2.5. Appellante klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aannemelijk is dat de gevraagde informatie ten tijde van haar verzoek niet meer voorhanden was en dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zij betoogt in dat verband dat haar niet duidelijk is of en in hoeverre er een bewaartermijn voor fiscale stukken is.
2.6. Ingevolge artikel 3 vanPro de Archiefwet 1995 (hierna: de Archiefwet) zijn overheidsorganen verplicht de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Archiefwet is de zorgdrager verplicht tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen.
Uit het 'Vaststellingsbesluit selectielijst beleidsterrein Belastingheffing over de periode 1945-2001: neerslag handelingen Minister van Financiën' (hierna: het vaststellingsbesluit) blijkt dat de bewaartermijn voor fiscale stukken, met uitzondering van memories van successie, 7 jaar na afloop belastingjaar bedraagt.
2.7. Gelet hierop is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de bewaartermijn voor fiscale stukken 7 jaar bedraagt. Vernietiging van die stukken na het verstrijken van deze termijn moet in beginsel rechtmatig worden geacht. Dit is anders indien voor het verstrijken van die termijn een verzoek om die informatie op grond van de Wob is gedaan. Alsdan staat het bestuursorgaan, zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200505364/1, heeft overwogen, niet meer vrij de gevraagde informatie te vernietigen. Indien een dergelijk verzoek wordt gedaan na het verstrijken van de bewaartermijn, ontslaat de mogelijkheid van het in zoverre reeds vernietigd zijn van de gevraagde informatie het bestuursorgaan niet van zijn uit de Wob voortvloeiende verplichting te bezien of deze informatie (nog) voorhanden is. De minister had derhalve, ook indien bij ontvangst van het verzoek op voorhand vast stond dat de bewaartermijn voor de gevraagde informatie verstreken was, moeten bezien of en in hoeverre deze informatie feitelijk voorhanden was. Dit heeft hij eerst gedurende de behandeling van het door appellante ingestelde beroep gedaan. Hierbij is hem gebleken, zoals hij ook ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd, dat de gevraagde informatie niet meer voorhanden was. Dit onderzoek had evenwel direct na de ontvangst van het verzoek moeten plaatsvinden. Doordat de minister dit heeft nagelaten is het primaire besluit derhalve in strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid, hetgeen in bezwaar niet is onderkend.
2.8. Het hoger beroep is gegrond. Gelet hierop behoeven de overige gronden van appellante geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 december 2004 van de minister gegrond verklaren, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigen en op hierna te melden wijze in de zaak voorzien.
2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 september 2006 in zaak no. AWB 05/8403;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 augustus 2005, kenmerk DGB 2005-00124;
V. herroept het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2004, kenmerk DGB 2004-05865;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. veroordeelt de Minister van Financiën in de door appellante in verband met de behandeling van het beroepen het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1127,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) te worden betaald aan appellante;
VIII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën) aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 698,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.