ECLI:NL:RVS:2007:BB2921

Raad van State

Datum uitspraak
30 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200703186/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • M.J.M. Mathot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake aanvraag vooraanduiding tankstation op N44

Verzoeker, de Minister van Verkeer en Waterstaat, had op 9 november 2005 de aanvraag van wederpartij voor een vooraanduiding van een tankstation op de N44 afgewezen. Wederpartij maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 maart 2006 ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van wederpartij gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar, met de opdracht aan de Minister een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak stelde verzoeker hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij al vóór de uitspraak in hoger beroep een nieuw besluit moest nemen. Tijdens de zitting op 16 augustus 2007 verschenen beide partijen, vertegenwoordigd door hun advocaten.

De Voorzitter oordeelde dat er geen dringende belangen waren die spoedig gevolg aan de uitspraak van de rechtbank vereisten, mede omdat er al een tijdelijke aanduiding was geplaatst. Daarom werd bepaald dat de Minister geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen voordat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Minister hoeft geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200703186/2.
Datum uitspraak: 30 augustus 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de Minister van Verkeer en Waterstaat,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3804 van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 maart 2007 in het geding tussen:
[wederpartij],
en
verzoeker.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2005 heeft verzoeker de aanvraag van de [wederpartij] voor een vooraanduiding tankstation op de N44 afgewezen.
Bij besluit van 17 maart 2006 heeft verzoeker het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 maart 2007, verzonden op 26 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de Minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [wederpartij] met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 4 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 13 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2007, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2007, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. D.L.N. Sugiharto-Ong en ing. P. van den Heuvel, werkzaam bij Rijkswaterstaat en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S. Luyt, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat verzoeker in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak. Mede in aanmerking genomen dat ter zitting door [wederpartij] is gesteld dat weggebruikers momenteel middels een tijdelijke aanduiding op de aanwezigheid van haar tankstation opmerkzaam worden gemaakt, is naar het oordeel van de Voorzitter niet gebleken van belangen die nopen tot het spoedig gevolg geven aan de aangevallen uitspraak.
2.3.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Minister van Verkeer en Waterstaat geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Mathot
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2007
413.