Uitspraak
200503128/1, gaat niet op, reeds omdat het in die zaak een ander bestemmingsplan en andere bestemmingen betrof, zodat appellant daarop niet met succes een beroep kan doen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg weigerde op 3 mei 2004 een bouwvergunning voor het verbreden van een brug over de Stompwijksevaart van 3,60 meter tot 6,00 meter. Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2001' bestempelt de betreffende gronden als 'Boezemwater', bestemd voor waterhuishouding en waterberging, waarbij alleen bouwwerken ten dienste van deze bestemming zijn toegestaan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de weigering ongegrond en wees ook het beroep af. De Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling oordeelt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het oprichten van een brug niet is toegestaan op gronden met de bestemming 'Boezemwater'. Daarnaast is het gebruik van het achterliggende perceel voor paardenfok en -training strijdig met de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke waarden'. De verbreding van de brug zou dit strijdig gebruik versterken, wat een redelijke grond is voor weigering van de vrijstelling.
Een beroep op overgangsrecht faalt omdat de verbreding meer dan 10% bedraagt, wat niet is toegestaan. De Afdeling concludeert dat het college terecht de bouwvergunning heeft geweigerd en bevestigt het vonnis van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan en verklaart het hoger beroep ongegrond.