ECLI:NL:RVS:2007:BB3852

Raad van State

Datum uitspraak
19 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200609132/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bouwvergunning voor woninguitbreiding ondanks bezwaar over fundering en erfgrens

Het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen verleende op 18 mei 2006 een bouwvergunning voor het vergroten van een woning door middel van een dakopbouw. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, stellende dat de fundering de extra belasting niet zou kunnen dragen en dat de dakopbouw te dicht bij de gemeenschappelijke erfgrens zou staan.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad overwoog dat het college enkel op de aanvraag van vergunninghouder hoefde te beslissen en geen rekening hoefde te houden met eventuele toekomstige uitbreidingen van appellant. De rapportages van deskundigen gaven voldoende zekerheid dat de fundering de extra belasting kon dragen.

Daarnaast bevatte het bestemmingsplan geen voorschriften over de gemeenschappelijke erfgrens, en de dakopbouw voldeed aan de afstandseisen tot de zijdelingse perceelsgrens. De Raad van State oordeelde dat dit geen grond was om de vergunning te weigeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bouwvergunning blijft van kracht.

Uitspraak

200609132/1.
Datum uitspraak: 19 september 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/5033 en AWB 06/5034 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 2 november 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college het daartegen door appellant en anderen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 november 2006, verzonden op 8 november 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 22 februari 2007 heeft vergunninghouder een schriftelijke reactie ingediend op het hoger beroep.
Bij brief van 7 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door N.H.I. van Berkel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    De vergroting van de woning omvat een uitbreiding van een bestaande dakopbouw.
2.2.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellant in gelijke mate als vergunninghouder het recht heeft om de gemeenschappelijke fundering te belasten. Volgens appellant had de voorzieningenrechter tevens moeten bezien of de maximaal toegestane belasting van de fundering wordt overschreden indien ook appellant zijn woning wenst te vergroten.
2.2.1.    Het college moest beslissen op de aanvraag zoals die door vergunninghouder is ingediend en aldus bezien of die aanvraag voldoet aan de eisen die ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet aan het bouwen worden gesteld. Het hoefde derhalve geen rekening te houden met eventuele toekomstige plannen van appellant. De omstandigheid dat, naar appellant stelt, de fundering niet geschikt is om de gezamenlijke belasting van de bestaande gebouwen en de dakopbouw te dragen, indien daarbij ook de ophoping van sneeuw wordt betrokken tussen de dakopbouw en de dakopbouw die appellant in de toekomst mogelijk wenst te bouwen, heeft het college dan ook terecht niet aangemerkt als grond voor weigering van de aanvraag van vergunninghouder. De voorzieningenrechter is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Voor zover appellant betoogt dat de fundering evenmin geschikt is om de extra belasting van alleen de dakopbouw te dragen, heeft de voorzieningenrechter daarin terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de aanvraag om die reden had moeten weigeren. Het college heeft aan de beslissing op bezwaar rapportages van Architecten- en adviesburo Midden Nederland BV en van Bouwtechnisch Adviesbureau Bekendam en Partner ten grondslag gelegd. Op basis van die rapportages heeft het college geconcludeerd dat de fundering bestand is tegen de daarop werkende krachten die zullen ontstaan door de dakopbouw. In de stelling van appellant dat de bouwkundige berekeningen in die rapportages niet juist zijn, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien om aan de conclusie van het college te twijfelen, nu appellant ermee heeft volstaan om daar slechts eigen berekeningen tegenover te stellen en zijn berekeningen op voorhand geen aanleiding geven voor twijfel aan de deugdelijkheid van de berekeningen die in de rapportages zijn weergegeven. Het betoog van appellant faalt.
2.3.    Voorts betoogt appellant tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de bouwvergunning had moeten worden geweigerd, omdat de woningvergroting te dicht op de gemeenschappelijke erfgrens staat. Het bestemmingsplan bevat geen voorschriften ten aanzien van de gemeenschappelijke erfgrens tussen de woning van appellant en de woning van vergunninghouder, doch slechts het voorschrift dat de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 3 m dient te bedragen. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat het bouwplan aan dat voorschrift voldoet. Voor zover appellant betoogt dat zijn belangen worden geschaad door de ligging van de dakopbouw dicht tegen de gemeenschappelijke erfgrens, is dat ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet geen grond om bouwvergunning te weigeren.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump     w.g. Huijben
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007
17-313-560.