ECLI:NL:RVS:2007:BB4290
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- L.J. Können
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijdering voertuig wegens hinder op parkeerterrein Strandweg Scheveningen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 18 augustus 2005 het voertuig van appellant laten verwijderen van het parkeerterrein aan de Strandweg te Scheveningen wegens parkeren buiten de parkeervakken. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het proces-verbaal, dat pas op 10 oktober 2005 werd opgemaakt en waarop het verwijderingsbesluit was gebaseerd, onjuist was. Hij stelde dat zijn voertuig stond geparkeerd op een plek waar voldoende ruimte was voor andere voertuigen om te manoeuvreren en dat de verwijdering niet langer noodzakelijk was nadat de andere voertuigen waren verplaatst. Ook wees appellant op de lange wachttijd van de wegsleepdienst en het ontbreken van veiligheidsmaatregelen ter plaatse als indicatie dat er geen gevaar of hinder was.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht uitging van het proces-verbaal waarin werd gesteld dat het voertuig hinder veroorzaakte voor andere voertuigen en voetgangers. De omstandigheid dat het proces-verbaal later werd opgemaakt, deed hieraan niet af. De door appellant aangevoerde foto's en schetsen konden niet overtuigend aantonen dat er geen hinder was. De Raad stelde vast dat de hinder niet alleen bestond uit ruimte voor draaiende bewegingen, maar ook uit belemmering van voetgangers en bestuurders die hun parkeerplaats wilden verlaten.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het college het voertuig terecht heeft laten verwijderen wegens hinder op het parkeerterrein.