ECLI:NL:RVS:2007:BB4308
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.J. den Broeder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huursubsidie wegens niet-rechtmatig verblijf medebewoner
De Minister van Volkshuisvesting heeft de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 aan appellante gewijzigd van €286,92 naar nihil en het uitgekeerde bedrag teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de minister ten onrechte de oude bepalingen van de Huursubsidiewet had toegepast, omdat deze inmiddels waren vervallen. De rechtbank oordeelde dat de oude bepalingen terecht werden toegepast omdat het subsidietijdvak vóór 1 januari 2006 was aangevangen.
Appellante voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals het zoekraken van het paspoort van haar echtgenoot door politie of Immigratie- en Naturalisatiedienst, de minister hadden moeten weerhouden van terugvordering. De Raad van State overwoog dat artikel 10 van Pro de Huursubsidiewet het recht op huursubsidie koppelt aan rechtmatig verblijf van medebewoners en dat geen ruimte bestaat om hiervan af te wijken. Omdat de echtgenoot op de peildatum geen rechtmatig verblijf had, was de subsidie ten onrechte toegekend.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht tot terugvordering is overgegaan en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huursubsidie bevestigd.