Uitspraak
200506294/1(AB 2006, 236) overweegt de Afdeling ambtshalve het volgende.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Emmen verleende op 14 juli 2005 vrijstelling voor de aanleg van infrastructuur in de oostflank van de woonbuurt Aireydorp in Emmermeer. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 20 december 2005 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Assen verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat het college op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleende, maar dat de lijst met categorieën waarvoor vrijstelling kan worden verleend ten tijde van het besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Hierdoor was het college niet bevoegd om de vrijstelling te verlenen. De rechtbank had dit niet onderkend.
Na correcte bekendmaking van de lijst door gedeputeerde staten van Drenthe is vastgesteld dat het aanlegplan binnen de categorieën valt waarvoor vrijstelling mogelijk is. Het hoger beroep richt zich op de vraag of het college een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de toename van geluidhinder niet zodanig is dat vrijstelling niet kon worden verleend.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college van 20 december 2005, maar behoudt de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.