Uitspraak
200606434/1(AB 2007, 132) vernietigd, waarbij de Afdeling voorts het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een bestuurlijke boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door twee Poolse vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat appellant als werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) moet worden aangemerkt, omdat de werkzaamheden door de vreemdelingen ten behoeve van appellant werden verricht en hij de benodigde materialen leverde. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de vreemdeling sub 1 niet als zelfstandige werkte, ondanks zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel, en dat voor hem een vergunning vereist was.
Appellant voerde aan dat hij geen afspraak had gemaakt met vreemdeling sub 2 en dat deze ongevraagd was verschenen, maar verklaringen van de vreemdelingen en appellant zelf wezen uit dat appellant wel degelijk betrokken was bij de inzet van beide vreemdelingen. De Raad van State verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het betoog van verminderde verwijtbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning.