ECLI:NL:RVS:2007:BB4445
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Beslissing over aanvraag verblijfsvergunning voor medische behandeling en toepassing inherente afwijkingsbevoegdheid
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de noodzakelijke medische behandeling, mede gebaseerd op een advies van het Bureau Medische Advisering dat de benodigde zorg ook in Letland beschikbaar is.
De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd, stellende dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling onvoldoende waren meegewogen, met name de zorgbehoefte en de aanwezigheid van haar dochter in Nederland.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de minister wel degelijk gemotiveerd heeft uiteengezet waarom de medische en niet-medische omstandigheden niet leiden tot het toekennen van de verblijfsvergunning en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister tekort was geschoten in zijn motivering.
Verder concludeerde de Raad dat er onvoldoende onderbouwing was voor de stelling dat de vreemdeling in Letland geen familie heeft om op terug te vallen. De inherente afwijkingsbevoegdheid is niet toegepast omdat de omstandigheden niet bijzonder genoeg zijn. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.