ECLI:NL:RVS:2007:BB5765
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Verlenging verblijfsvergunning regulier en beëindiging berechting mensenhandel
De zaak betreft het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de weigering tot verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer-aangever van mensenhandel vernietigde. De kern van het geschil is of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte nog loopt, wat bepalend is voor de verlenging van de vergunning.
De Raad van State stelt vast dat het Gerechtshof te ’s Gravenhage op 11 juli 2002 een arrest heeft gewezen dat op 5 augustus 2002 onherroepelijk is geworden, waarmee de berechting in feitelijke aanleg is beëindigd. De nog lopende ontnemingsmaatregel, die niet onherroepelijk is, beïnvloedt dit niet omdat deze een afzonderlijke procedure betreft.
De vreemdeling voerde klemmende humanitaire redenen aan voor verlenging, maar deze konden niet slagen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. Ook was het horen volgens artikel 7:2 Awb Pro niet verplicht omdat geen nieuwe gezichtspunten waren ingebracht. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.