ECLI:NL:RVS:2007:BB6842
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep verblijfsvergunning regulier
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij op grond van een geprivilegieerde status in Nederland verbleef en daardoor geen procesbelang zou hebben.
De Raad van State oordeelt dat verblijf op grond van een geprivilegieerde status geen rechtmatig verblijf is volgens artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en dat het niet valt uit te sluiten dat appellante met rechtmatig verblijf in een gunstiger positie zou verkeren. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen. De Raad van State bepaalt tevens dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald en dat de rechtbank over de proceskosten zal beslissen.
De zaak betreft de toepassing van het procesbelang in het vreemdelingenrecht en de uitleg van rechtmatig verblijf onder de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het vonnis in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.