Uitspraak
200702053/1. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellante] als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken.
Raad van State
Appellante kreeg een boete van €16.000 opgelegd door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door twee vreemdelingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de boete. Appellante stelde dat het slechts om incidentele vriendendiensten ging en dat zij geen werkgever was in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De Raad van State overwoog dat feitelijk arbeid verrichten in opdracht of ten dienste van een werkgever voldoende is om als werkgever te worden aangemerkt, ongeacht het bestaan van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding. Uit het boeterapport bleek dat de vreemdelingen glazen aan het wassen en drankjes aan het inschenken waren in de onderneming van appellante. De Raad verwierp het verweer dat sprake was van vriendendiensten en bevestigde dat appellante als werkgever moest worden aangemerkt.
Verder stelde de Raad vast dat het opleggen van de boete niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de boete is opgelegd voor illegale tewerkstelling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete van €16.000 wegens het zonder vergunning laten verrichten van arbeid wordt bevestigd.