Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2007:BB7788

Raad van State

Datum uitspraak
14 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200703060/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • W. Konijnenbelt
  • P.A. Offers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over vrijstelling bouwplan in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Hillegom verleende op 22 mei 2003 vrijstelling en een bouwvergunning voor de realisatie van een woning op een perceel met de bestemming 'Tuin', wat strijdig was met het geldende bestemmingsplan. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante in eerste aanleg gegrond, waarna het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. In een latere uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.

In het hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het college ten onrechte was uitgegaan van een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten en dat het bouwplan geen goede ruimtelijke onderbouwing had. De Raad van State oordeelde dat de verklaring van geen bezwaar terecht was gebruikt, omdat de vernietiging van het eerdere besluit niet op de inhoud van het bouwplan was gebaseerd en het bouwplan niet was gewijzigd. Ook was de ruimtelijke onderbouwing voldoende, mede door de gemeentelijke beleidsnota en het ontwerp-bestemmingsplan.

Verder stelde appellante dat haar belangen onvoldoende waren meegewogen en dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en verbod van willekeur had gehandeld. De Raad van State vond dat appellante deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en geen bewijs had geleverd van belemmeringen in haar bedrijfsvoering. Daarom was er geen reden om het college te verwijten dat het zijn bevoegdheid tot vrijstelling niet juist had toegepast.

De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200703060/1.
Datum uitspraak: 14 november 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Hillegom,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3109 van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 maart 2007 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hillegom.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hillegom (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een woning op het perceel [locatie] te Hillegom (hierna: het perceel).
Bij besluit van 9 juli 2004 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Bij besluit van 24 februari 2006 heeft het college het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2007, heeft het college van antwoord gediend.
Vergunninghouder en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, vergezeld van haar [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.C.M. Kingma, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door ing. M. Klazema, ambtenaar in dienst van de provincie, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in de oprichting van een woning met een hoogte van ongeveer 10 meter op gronden waaraan in het geldende bestemmingsplan "Zanderij" de bestemming "Tuin" is toegekend. Vaststaat dat het bouwplan met die bestemming in strijd is. Om voor het bouwplan niettemin een bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.
2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan de bij besluit op bezwaar van 24 februari 2006 opnieuw gehandhaafde vrijstelling ten onrechte de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 april 2003 ten grondslag heeft gelegd.
2.2.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college bij het nemen van het besluit op bezwaar van 24 februari 2006 geen gebruik heeft kunnen maken van de verklaring van geen bezwaar van 14 april 2003. Hierbij is van belang dat de vernietiging bij uitspraak van 25 juni 2005 was ingegeven door het ontbreken van een geldend voorbereidingsbesluit of de terinzagelegging van een ontwerp-bestemmingsplan ten tijde van het besluit van 9 juli 2004 en niet door de inhoud van het bouwplan en dat het bouwplan na het verlenen van die verklaring niet is gewijzigd.
Het betoog faalt.
2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan het bouwplan geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd.
2.3.1.    Aan het bouwplan is als ruimtelijke onderbouwing de gemeentelijke beleidsnota "Nota stedenbouwkundige randvoorwaarden Stationsweg, Hillegom" van december 2000 (hierna: de Nota) ten grondslag gelegd. Op 8 december 2005 heeft de gemeenteraad een nieuw voorbereidingsbesluit genomen met het oog op het bouwplan. Op 9 februari 2006 is vervolgens het ontwerp-bestemmingsplan "De Zanderij" (hierna: het ontwerp) ter inzage gelegd. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat dit ontwerp onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing. Met het voorbereidingsbesluit, de eerder afgegeven verklaring van geen bezwaar en de Nota als ruimtelijke onderbouwing is reeds voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Het ontwerp-bestemmingsplan vormt een bevestiging van het gemeentelijk voornemen de gronden ter plaatse voor woondoeleinden te bestemmen. In de omstandigheid dat op de plankaart van het ontwerp ter plaatse van het perceel per abuis de aanduiding "woningen, laagbouw" is vermeld, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college geen goede ruimtelijke onderbouwing aan het bouwplan ten grondslag heeft gelegd, nu ook afgezien van het ontwerp-bestemmingsplan het bouwplan is voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing.
Ook dit betoog faalt.
2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling of van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling gebruik mocht worden gemaakt haar belangen onvoldoende in de afweging heeft betrokken. Voorts voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur door medewerking te verlenen aan het bouwplan, nu het college eerder heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een bouwplan van appellante dat naar aard en omvang met het onderhavige bouwplan vergelijkbare afwijkingen van het thans nog geldende bestemmingsplan inhield.
2.4.1.    Appellante heeft eerst ter zitting bij de rechtbank aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen bij een ongewijzigde lichtinval en bij het voorkomen van belemmering van haar bedrijfsactiviteiten en, voorts, dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij heeft haar stellingen daar niet onderbouwd. In hoger beroep stelt appellante in aanvulling op dit betoog dat zij in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd, omdat zij ten gevolge van het bouwplan nog slechts met grote inspanningen kan voldoen aan de geluid- en trillingseisen van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer. Ook in hoger beroep heeft appellante evenwel geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Evenmin heeft zij haar betoog anderszins gestaafd. Gelet hierop bestaat geen grond voor de conclusie dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid voor het bouwplan vrijstelling te verlenen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Hanrath
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2007
392.