Uitspraak
200702556/2, verzonden op dezelfde datum, is het door appellante tegen het besluit van 20 februari 2007 ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer het besluit tot vergunningverlening vanaf die datum in werking is getreden.
200404708/1, heeft overwogen, is de bestuursrechter alleen in het kader van een geschil met betrekking tot een besluit tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen. Waar een dergelijk geschil, door expiratie van het besluit, niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan.
200704601/1ten aanzien van laatstgenoemd besluit is geconcludeerd, zowel op 16 januari 2007 als op 22 mei 2007 concreet uitzicht was op legalisatie, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat sprake was van een overgangssituatie waarin gedogen onder de gestelde beperkingen en voorwaarden niet onredelijk is. De Afdeling acht de termijn waarvoor het gedoogbesluit gold, gelet op het tijdstip van de publicatie van het ontwerpbesluit tot vergunningverlening en de verwachte definitieve vergunning in februari 2007, niet onredelijk lang. De door appellante gestelde omstandigheid dat het aan [vergunninghoudster] zelf te wijten is dat niet tijdig een nieuwe vergunning is verkregen acht de Afdeling niet zodanig zwaarwegend dat verweerder in dit geval niet van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken. Dat, zoals appellante betoogt, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van nieuw gedoogbeleid, er geen vertrouwen zou zijn in het naleefgedrag van [vergunninghoudster] vanwege eerdere overtredingen in inrichtingen elders en de bij besluit van 20 februari 2007 verleende vergunning eerst op 29 mei 2007 in werking is getreden, maakt dit niet anders. De beroepsgrond welke ziet op het handelen in strijd met het gedoogbesluit heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en faalt daarom.
200702556/1is geconcludeerd, zijn de voorschriften ten aanzien van de door appellante in haar beroep tegen de verleende vergunning aangevoerde milieuaspecten toereikend.