Uitspraak
200606962/1, wordt in artikel 19, tweede lid, van de WRO onderscheid gemaakt tussen enerzijds de door gedeputeerde staten aangewezen categorieën gevallen waarin voor de door het college te verlenen vrijstelling geen verklaring van geen bezwaar nodig is en anderzijds de binnen die categorieën gevallen door gedeputeerde staten aangewezen gevallen, waarin niettemin een verklaring van geen bezwaar is vereist ten behoeve van de verwezenlijking van een project, alvorens het college vrijstelling kan verlenen. In dit geval gaat het om het een noch het ander. Gelet op de bewoordingen van de verleende verklaring van geen bezwaar en de omstandigheid dat het verzoek om die verklaring van geen bezwaar is ingegeven door het beoogde project, is geen sprake van een ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO aanwijzing van een categorie gevallen die kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, waarvan de bekendmaking ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient te geschieden. De verleende verklaring heeft echter evenmin uitsluitend betrekking op een concreet project, nu deze is afgegeven voor alle gebruik, bouw van gebouwen en uitvoeren van werken in overeenstemming met het voorontwerp van het bestemmingsplan "Windmolenpark Spookverlaat". Appellanten betogen terecht dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen.