ECLI:NL:RVS:2007:BB8361
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring en uitzettingsprocedure
Appellant is op 9 september 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld, omdat op de dag van de zitting van de rechtbank, twaalf dagen na de inbewaringstelling, nog geen uitzettingshandelingen waren verricht. De rechtbank wees het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde appellant dat de staatssecretaris het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit direct had kunnen starten, gezien de verstrekte gedetailleerde verblijfsgegevens. De staatssecretaris legde uit dat het overdrachtsformulier vijf dagen na het verhoor was ingevuld en het dossier drie dagen daarna naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) was verzonden, waarna het aan een regievoerder werd toegewezen.
De Raad van State oordeelde dat ondanks de niet direct verklaarde vertraging geen sprake was van een inbreuk op de voortvarendheid die bij iedere uitzetting vereist is. Hierdoor is de voortzetting van de bewaring niet onrechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De voortzetting van de vreemdelingenbewaring is rechtmatig en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.