ECLI:NL:RVS:2007:BB8816
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging verblijfsvergunning regulier geen onrechtmatige inmenging in familie- en gezinsleven
Appellante verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning regulier met als beperking verblijf bij haar echtgenoot. De minister wees dit verzoek af, waarna ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank ongegrond werden verklaard. Appellante stelde dat de weigering een ongerechtvaardigde inmenging vormde in haar familie- en gezinsleven met haar broer, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat het bij de beoordeling van inmenging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet van belang is waarvoor een eerdere verblijfstitel is verleend, maar dat het feit dat de vreemdeling voorafgaand aan het bestreden besluit over een verblijfstitel beschikte, waardoor zij feitelijk in staat was het familie- en gezinsleven uit te oefenen. De verleende verblijfsvergunning stelde appellante daartoe in staat, anders dan door de rechtbank was overwogen.
De Raad oordeelde dat de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM Pro voor zover het familie- en gezinsleven met haar broer betreft, omdat de aanvraag daarop niet zag en appellante dit niet aannemelijk had gemaakt. De grief faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, zij het met verbetering van gronden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning en oordeelt dat dit geen onrechtmatige inmenging in het familie- en gezinsleven vormt.