ECLI:NL:RVS:2007:BB8878
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting vreemdeling
Appellant was in vreemdelingenbewaring gesteld en voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid betrachtte bij de uitzettingshandelingen, omdat een termijn van veertien dagen werd gehanteerd om met deze handelingen te beginnen. De rechtbank oordeelde dat deze termijn nog niet verstreken was en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de staatssecretaris voortvarend had gehandeld, verwijzend naar eerdere jurisprudentie die een dergelijke termijn niet zonder meer toestaat. De staatssecretaris had uiteengezet welke uitzettingshandelingen vanaf de dag van inbewaringstelling waren verricht, waaronder overplaatsing naar een detentieboot, overdracht van stukken aan de Dienst Terugkeer & Vertrek en het voeren van een vertrekgesprek.
De Afdeling oordeelde dat het tijdsverloop in zijn geheel geen schending van de voortvarendheid oplevert en dat er geen grond is om de voortduring van de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep op eerdere uitspraken faalde omdat daar onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat binnen een redelijke termijn was gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.