ECLI:NL:RVS:2007:BB9405
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortvarendheid in uitzettingsprocedure en afwijzing schadevergoeding
Appellant is op 2 september 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Raad van State onderzocht of de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld in de uitzettingsprocedure. Uit de stukken bleek dat het dossier op 6 september 2007 naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) werd gezonden, die het op 11 september ontving en op 12 september aan een regievoerder toebedeelde. Op die dag vond een vertrekgesprek plaats en werd een formulier voor een reisdocument ingevuld en doorgeleid. De aanvraag bij de Chinese autoriteiten werd op 27 september ingediend, conform de wekelijkse indieningsprocedure.
Hoewel appellant stelde dat er onnodige vertraging was, oordeelde de Raad dat geen sprake was van een inbreuk op de vereiste voortvarendheid. De rechtbankuitspraak werd bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd op 26 november 2007 in het openbaar gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld en wijst het verzoek om schadevergoeding af.