ECLI:NL:RVS:2007:BB9426

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200706815/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbOnteigeningswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vaststelling bestemmingsplan Noordwesttangent Tilburg

De gemeenteraad van Tilburg stelde op 11 december 2006 het bestemmingsplan 'Noordwesttangent: Verlengde Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg' vast. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De zaak werd behandeld op 20 november 2007, waarbij verzoekster en de gemeenteraad van Tilburg aanwezig waren; verweerder verscheen niet.

Verzoekster stelde dat het gemeentebestuur onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte bij onderhandelingen over haar perceel en onterecht weigerde het tracé van de weg om te leggen. Ook was zij ontevreden over de breedte van het tracé en de weigering tot verplaatsing van haar recreatiewoning. De gemeenteraad verklaarde dat de aanleg van de weg pas zal plaatsvinden nadat alle benodigde percelen zijn verworven, waaronder die van verzoekster, en dat een onteigeningsprocedure nog niet is gestart.

De Voorzitter oordeelde dat zolang de grond in eigendom is van verzoekster, de aanleg niet kan beginnen en dat er geen spoedeisend belang is voor een voorlopige voorziening. Bezwaren over de kap van bomen zijn niet aan de orde in deze procedure. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, met de kanttekening dat de inhoudelijke bezwaren in de bodemprocedure kunnen worden behandeld.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

200706815/2.
Datum uitspraak: 26 november 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2006 heeft de gemeenteraad van Tilburg het bestemmingsplan "Noordwesttangent: Verlengde Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg" (hierna: het plan) vastgesteld.
Bij besluit van 3 juli 2007, kenmerk 1252600/1311447, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 24 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2007, beroep ingesteld.
Voorts heeft zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar verzoekster, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Tilburg, vertegenwoordigd door mr. L. van Grinsven, ambtenaar in dienst van de gemeente. Verweerder is met kennisgeving niet ter zitting verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het plan voorziet in een planologisch-juridisch kader voor de verlenging van de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg, teneinde de Dongenseweg te Tilburg te verbinden met een reeds aangelegd deel van de Noordwesttangent, te weten het deel Vossenberg West-Spinder.
2.3.    Verzoekster voert aan dat verweerder, door goedkeuring te verlenen aan het plan, heeft miskend dat het gemeentebestuur tijdens de onderhandelingen niet de nodige zorgvuldigheid ten aanzien van haar perceel in acht heeft genomen en ten onrechte niet bereid is gebleken het tracé van de weg om te leggen. Volgens haar heeft het gemeentebestuur niet voldoende uitgelegd waarom het voorziene tracé aan de oostzijde breder is dan aan de westzijde en heeft het ten onrechte geen medewerking willen verlenen aan de verplaatsing van haar recreatiewoning.
2.4.    Ter zitting heeft de gemeenteraad uitdrukkelijk toegezegd dat pas na de verwerving van alle hiertoe benodigde percelen wordt overgegaan tot de aanleg van het in het plan voorziene tracé van de weg. In dit kader is van belang dat een deel van de benodigde grond nog in eigendom is van verzoekster, dat minnelijk overleg tussen verzoekster en het gemeentebestuur tot op heden vruchteloos is gebleken en dat een eventueel noodzakelijke procedure op grond van de Onteigeningswet nog niet is gestart.
Ter zitting is voorts gebleken dat de enige uitzondering die wordt gemaakt op de toezegging, dat geen werkzaamheden zullen plaatsvinden, de eventuele kap van bomen betreft op percelen die reeds zijn verworven door de gemeente Tilburg. De Voorzitter merkt hierover op dat de kap van bomen niet in een bestemmingsplan wordt geregeld, maar dat dit, zoals ter zitting door de gemeenteraad gesteld, met de verlening van een kapvergunning wordt toegestaan. De ter zitting opgeworpen bezwaren van verzoekster die betrekking hebben op de kap van bomen kunnen in deze procedure derhalve niet aan de orde worden gesteld.
2.5.    Uit het voorgaande volgt dat niet met de aanleg van de weg kan worden begonnen zolang de gronden in eigendom zijn van verzoekster. Gelet hierop is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek dient te worden afgewezen.
De inhoudelijke bezwaren van verzoekster tegen het bestreden besluit kunnen in de bodemprocedure aan de orde komen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel     w.g. Van Dorst
Voorzitter     ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2007
357-464.