Uitspraak
200702094/1, mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, het bestuursorgaan dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Zoals de Afdeling in diezelfde uitspraak heeft overwogen, is, in tegenstelling tot wat appellante meent, onderzoek aan het lichaam niet een verplicht onderdeel van een medisch onderzoek ten behoeve van de beslissing op een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart. De bevindingen van de geneeskundige dienen zonder zo'n onderzoek wel op andere wijze afdoende te zijn onderbouwd. Naar het oordeel van de Voorzitter is dat hier het geval. De bevindingen van de arts zoals die blijken uit het eerste advies zijn gebaseerd op een gesprek met appellante en op observatie van haar mobiliteit en functieniveau. Daarnaast heeft de arts verwezen naar de door de huisarts van appellante desgevraagd over haar conditie verstrekte informatie. Die informatie weerspreekt de, deels daarop gebaseerde, bevindingen van de arts niet. Beide artsen zijn van oordeel dat appellante een beperkte actieradius heeft, doch ook uit de bevindingen van de huisarts volgt niet dat aan voorwaarde 2 wordt voldaan. Met betrekking tot het tweede advies neemt de Voorzitter in aanmerking dat het college naar aanleiding van de kanttekeningen die de bezwaarschriftencommissie heeft geplaatst bij de volledigheid van het eerste advies heeft verzocht om een aanvullend advies. Niet verzocht is om een second opinion. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat dit verzoek door een andere arts in behandeling had moeten worden genomen. In dit licht bezien bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de arts in zijn tweede advies niet heeft kunnen volstaan met een toelichting op de totstandkoming van zijn bevindingen uit het eerste advies. Ook in zoverre heeft de arts kunnen afzien van het doen van lichamelijk onderzoek. Voorzover ervan uitgegaan moet worden dat de arts bij de totstandkoming van het eerste advies ten onrechte niet de adviezen uit voorgaande jaren heeft betrokken, heeft hij bij het opstellen van het tweede advies kennis genomen van deze adviezen en heeft hem dit niet geleid tot een ander oordeel dan verwoord in het eerste advies.