ECLI:NL:RVS:2007:BB9472

Raad van State

Datum uitspraak
5 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200702321/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Woningwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhavingsbesluit verwijderen bedrijfsgebouw zonder bouwvergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp heeft appellante bij besluit van 14 november 2005 onder dwangsom gelast een bedrijfsgebouw te verwijderen dat zonder bouwvergunning was gebouwd. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State overweegt dat het bouwen zonder vergunning verboden is op grond van artikel 40 van Pro de Woningwet. Het college is bevoegd handhavend op te treden en dient dit in beginsel ook te doen, tenzij bijzondere omstandigheden of concreet uitzicht op legalisatie aanwezig zijn. De Raad stelt vast dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat, mede omdat een eerdere weigering tot bestemmingsplanwijziging en vergunning in rechte onaantastbaar is geworden.

Ook zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die handhaving onredelijk maken. De Raad bevestigt daarom het bestreden vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het handhavingsbesluit en wijst het hoger beroep van appellante af.

Uitspraak

200702321/1.
Datum uitspraak: 5 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/5837 van de
rechtbank 's-Gravenhage van 19 februari 2007 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast het bedrijfsgebouw op het perceel achter [locatie] te [plaats] te verwijderen.
Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2007, verzonden op 20 februari 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 22 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.D. Drok, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.T. Smits, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
2.2.    Vast staat dat appellante het bedrijfsgebouw heeft gebouwd zonder over de daartoe vereiste bouwvergunning te beschikken, zodat het college terzake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3.    De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat bij uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007, nr.
200608443/1, het besluit van het college van 20 april 2004, waarbij is geweigerd het bestemmingsplan te wijzigen en appellante vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het bedrijfsgebouw, in rechte onaantastbaar is geworden. De omstandigheid dat appellante gesprekken heeft gevoerd met leden van het college en daarbij de bereidheid heeft getoond om tot beëindiging van de illegale status van het bedrijfsgebouw te komen, heeft het college niet behoeven aan te merken als een omstandigheid die concreet uitzicht op legalisatie bood.
2.4.    Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding hadden behoren te zijn om van handhaving af te zien.
Hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink               w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007
202.