Uitspraak
200407178/1aanvaardbaar geacht.
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van een vennootschap onder firma (VOF) en haar vennoten tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De minister had geweigerd een vergunning te verlenen voor visserij met vaste vistuigen vanaf 1 april 2003, omdat niet was aangetoond dat de vennoten gezamenlijk voldeden aan de inkomenstoets zoals gesteld in het beleidsbesluit van december 2002.
Appellanten stelden dat de rechtbank ten onrechte het begrip inkomen had toegepast zoals bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (wet IOAZ), omdat een rechtspersoon geen inkomen in die zin kan hebben. Zij wilden dat het commerciële inkomen van de VOF, gebaseerd op omzetcijfers, als maatstaf werd genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat voor de toepassing van het beleidsbesluit het netto inkomen voor belastingen als uitgangspunt geldt, conform de wet IOAZ.
De Afdeling concludeerde dat de VOF niet aannemelijk had gemaakt dat zij over de referentieperiode 1997-2001 minimaal twee jaren een netto inkomen had behaald van ten minste 50% van het minimuminkomen voor zelfstandigen, waarvan minimaal 25% uit visserij met vaste vistuigen. Ook het beroep op bijzondere omstandigheden, zoals het opzeggen van een dienstbetrekking door een vennoot om fulltime te vissen, werd niet voldoende geacht om van het beleid af te wijken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vergunning bevestigd.