Uitspraak
200305663/1) blijkt uit de tekst van het derde lid van artikel 5.3.2 van de APV en met name uit de woorden voor zover dat niet het enkele gegeven dat het Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is op een openbaar water bepalend is voor het antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, maar dat dit afhankelijk is van de reikwijdte van dat reglement. Blijkens artikel 1 van Pro het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement zijn de bepalingen in het Binnenvaartpolitiereglement vastgesteld ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. Blijkens de toelichting bij dat artikel is beoogd te voorzien in de ordening van alle scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee en daartoe regels vast te stellen die nodig zijn ter bevordering van de veiligheid en de vlotheid van de vaart en die direct of indirect strekken ter voorkoming van gevaar voor schepen of de scheepvaart. Aan artikel 5.3.2. van de APV, dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift "Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente", liggen (ook) andere motieven, ten grondslag, zoals blijkt uit het tweede lid van het artikel. De eventuele toepasselijkheid van het Binnenvaartpolitiereglement op het vaartuig van [appellant] laat de uit artikel 5.3.2. van de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente dan ook onverlet. Het in het eerste lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in dit geval in zoverre betekenis. Het betoog faalt.