ECLI:NL:RVS:2008:BC2077

Raad van State

Datum uitspraak
8 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200708038/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • D. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.4 lid 1 WmWet milieubeheerWet stankemissie veehouderijen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake revisievergunning gemengde veehouderij

Het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug verleende op 10 oktober 2007 een revisievergunning aan een vergunninghoudster voor een gemengde veehouderij aan een locatie in Utrechtse Heuvelrug. Deze vergunning werd op 12 oktober 2007 ter inzage gelegd. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 20 december 2007 werden de standpunten van verzoekster, het college en de vergunninghoudster behandeld. Verzoekster voerde aan dat het college ten onrechte bepaalde omliggende woningen en terreinen verkeerd had gecategoriseerd volgens de Wet stankemissie veehouderijen, waardoor niet aan de afstandseisen zou worden voldaan.

De voorzitter oordeelde dat het standpunt van het college dat de woningen aan de Molenweg als categorie IV-objecten zijn aan te merken en dat het sportterrein voldoet aan de afstandseisen voor categorie II-objecten niet onjuist is. De vraag over de juiste categorisering van het sportterrein en een gebouw ten westen daarvan kan niet in deze voorlopige voorziening worden beantwoord en zal in de bodemprocedure worden behandeld.

Gezien de belangenafweging zag de voorzitter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

200708038/2.
Datum uitspraak: 8 januari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een gemengde veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 12 oktober 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 december 2007, waar [verzoekster], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door A.A.J. van Brenk en W. Heikamp, werkzaam bij de Milieudienst Zuidoost-Utrecht, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoekster] betoogt in het kader van stankhinder dat het college de woningen aan de Molenweg 13, 15 en 17 ten onrechte als categorie IV- in plaats van categorie III-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: Wet stankemissie) heeft aangemerkt nu er een overwegende woon- of recreatiefunctie is. In geval van categorie III wordt niet aan de vereiste afstanden voldaan, aldus [verzoekster]. Verder heeft het college volgens [verzoekster] het bij het in de omgeving van de inrichting gelegen recreatiecentrum behorende sportterrein en een gebouw ten westen daarvan ten onrechte als categorie II- in plaats van categorie I-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie aangemerkt. Aan de vereiste afstanden voor categorie I wordt niet voldaan, aldus [verzoekster]. Daarnaast voert zij aan dat - anders dan het college stelt - wat betreft het sportterrein evenmin wordt voldaan aan de vereiste afstand voor een categorie II-object.
2.3. Vast staat dat indien voornoemde woningen aan de Molenweg en het sportterrein en het gebouw ten westen daarvan onderscheidenlijk als categorie III- en I-objecten moeten worden aangemerkt niet aan de afstandseisen wordt voldaan.
2.4. Gelet op de ter zitting getoonde foto’s en de gegeven toelichting komt de voorzitter het standpunt van het college dat de verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen geen overwegende woon- of recreatiefunctie aan de omgeving verlenen en de woningen aan de Molenweg 13, 15 en 17 als categorie IV-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie moeten worden aangemerkt niet onjuist voor. Evenmin komt het standpunt van het college dat de afstand tot het sportterrein voldoet aan de minimaal vereiste afstand voor categorie II hem onjuist voor. Deze procedure leent zich echter niet voor beantwoording van de vraag of het bij het recreatiecentrum behorende sportterrein en een gebouw ten westen daarvan moeten worden aangemerkt als categorie I- of II-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie. De Afdeling zal deze vraag in de bodemprocedure moeten beantwoorden. De voorzitter ziet, bij afweging van de betrokken belangen, in dit stadium evenwel geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.5. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Leeuwen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008
373.