1. Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) de door [appellant] aangevraagde parkeerontheffing geweigerd.
Bij besluit van 23 november 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juni 2007, verzonden op 20 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 september 2007 heeft het college van antwoord gediend.
Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2007, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet bestreden is dat [appellant] niet voldoet aan de in artikel 5.1.5., derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven 2005 opgenomen criteria zoals uitgewerkt in de door het college vastgestelde beleidsregels voor de verlening van een ontheffing om zijn twee aanhangwagens van 8 en 4,5 meter lang in de straat van zijn woonhuis te parkeren.
2.2. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in de door hem aangevoerde omstandigheden geen aanleiding behoefde te zien af te wijken van het beleid.
2.3. Als bijzondere omstandigheden heeft [appellant] naar voren gebracht dat hij over ongeveer twee jaar zal moeten verhuizen in verband met de sloop van zijn huis en dat hij vreest voor het voortbestaan van zijn bedrijf. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college bij de afweging van de belangen aan deze omstandigheden geen doorslaggevend gewicht behoefde toe te kennen. Zij betrekt daarbij dat de sloop, zoals ter zitting door de vertegenwoordiger van het college is bevestigd, is uitgesteld tot in ieder geval 2010 en dat op loopafstand van het huis van [appellant] een terrein is waar hij zijn aanhangwagens permanent mag parkeren. De grond faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.