ECLI:NL:RVS:2008:BC3004
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geloofwaardigheid asielrelaas en marginale toetsing motivering minister
In deze zaak is het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage behandeld. De rechtbank had de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaard en de afwijzing van hun asielaanvragen vernietigd. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door de motivering van de minister niet in haar totaliteit te beoordelen en elk element van het asielrelaas afzonderlijk te waarderen.
De Raad benadrukt dat op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de vreemdeling de last heeft zijn asielrelaas aannemelijk te maken. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas behoort tot de beoordelingsvrijheid van de minister en kan slechts marginaal door de rechter worden getoetst. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat het asielrelaas hiaten en tegenstrijdigheden bevatte die de positieve overtuigingskracht ontbraken.
De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Tevens wijst de Raad erop dat de verklaringen van de neven van de betrokkene niet vergelijkbaar zijn omdat op hen een ander toetsingskader van toepassing was. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.