Uitspraak
200606687/1) heeft overwogen, is de provinciale lijst van 19 juli 2005 eerst op 2 augustus 2006 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit betekent dat het college ten tijde van de besluiten van 24 november 2005 en 17 mei 2006 ten behoeve van het bouwplan niet krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen, als het heeft gedaan.
200303592/1), behoort, indien krachtens artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling krachtens het eerste lid te worden verleend. Het stond het college derhalve niet vrij met toepassing van die bepaling vrijstelling ten behoeve van het bouwplan te verlenen, zodat het betoog reeds om die reden faalt.
200604465/1 en 200604465/2), is voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer op voorhand duidelijk is dat die belemmering aan realisering van het bouwplan in de weg staat. Daarvan is in dit geval niet gebleken, nu een situatie, als bedoeld in artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zich hier niet voordoet. Openbaar groen is geen naburig erf, als bedoeld in die bepaling. Evenmin is in hetgeen [appellant] e.a. hebben aangevoerd grond te vinden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003.