AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning reconstructie A50-A58
Het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel verleende op 3 oktober 2006 een bouwvergunning en vrijstelling aan Rijkswaterstaat voor werkzaamheden aan kunstwerken in het kader van de reconstructie van de A50-A58. De Donjon Woonburcht B.V. maakte hiertegen bezwaar en stelde beroep in, dat door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 15 november 2007 ongegrond werd verklaard.
De Donjon stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 24 januari 2008 werd duidelijk dat Rijkswaterstaat alleen de funderingen van de kunstwerken zou aanleggen totdat de bodemprocedure was afgerond. Rijkswaterstaat erkende dat het gebruik van de vergunning voor eigen risico was zolang de bodemprocedure niet was beslist.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Donjon onvoldoende spoedeisend belang had bij de gevraagde voorlopige voorziening, mede omdat het ongedaan maken van de funderingen mogelijk is indien de bodemprocedure tot een negatief oordeel leidt. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de reconstructie van de A50-A58 wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.
Uitspraak
200709047/2.
Datum uitspraak: 1 februari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V., gevestigd te Son,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/67 en 07/2598, 07/147 en 07/2600, 07/150 en 07/2602, 07/153 en 07/2603, 07/155 en 07/2604, 07/157 en 07/2605 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2007 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V.,
en
het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan Directoraat Generaal Rijkswaterstaat (hierna: Rijkswaterstaat) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van bouwvergunningplichtige werkzaamheden (kunstwerken 41, 42, 43, 44, 46 en 47) betreffende de reconstructie van de A50-A58 op de percelen kadastraal bekend gemeente Son en Breugel sectie B, nummers 2639, 2675, 2677, 2678 en 2679.
Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V. (hierna: de Donjon) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door de Donjon daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft onder meer de Donjon bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, hoger beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft de Donjon de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 24 januari 2008, waar de Donjon, vertegenwoordigd door [directeur], en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en E.A.J. de Bruijn, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door mr. F.J.L. Geboers en ir. F.M.W. Fieman, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In zaak nr. 200704437/1, die op dinsdag 22 januari 2008 ter zitting bij de Afdeling is behandeld, zal door de Afdeling worden beslist of de rechtbank het besluit waarbij vrijstelling is verleend ten behoeve van de reconstructie van de A50-A58 voor zover het de niet-bouwvergunningplichtige activiteiten betreft, terecht niet in strijd met het recht heeft geoordeeld. In onderhavige zaak staat uitsluitend ter discussie of voor de kunstwerken die in het kader van het project worden gebouwd, in overeenstemming met het recht vrijstelling en bouwvergunning is verleend.
Ter zitting is gebleken dat Rijkswaterstaat in de periode voordat een uitspraak in voormelde zaak kan worden verwacht, van de kunstwerken alleen de funderingen zal aanleggen. Rijkswaterstaat heeft ter zitting aangegeven zich bewust te zijn van het feit dat hij gebruik maakt van de vergunning voor eigen risico zolang niet in de bodemprocedure in onderhavige zaak is beslist. Als de uitspraak van de bodemkamer in voormelde zaak met zich zou brengen dat het project als geheel niet, althans niet op deze wijze, zou kunnen worden gerealiseerd, zou dat ten hoogste met zich brengen dat de aan de orde zijnde fundering ongedaan moet worden gemaakt, hetgeen mogelijk is, zodat het niet nodig is thans ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de kant van de Donjon een voorziening te treffen. Mocht die uitspraak daartoe aanleiding geven, kan zonodig een nieuw verzoek worden ingediend teneinde verdere werkzaamheden op basis van de vrijstelling voor de kunstwerken te voorkomen.
De Donjon heeft op dit moment onvoldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.