ECLI:NL:RVS:2008:BC3621

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200703775/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WROArt. 19 WROArt. 5 procedureverordening planschadevergoeding 1998
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding planschade door wijziging bestemmingsplan in gemeente Ede

Appellant, eigenaar van een woning in Ede, vorderde een vergoeding van €9000 voor planschade veroorzaakt door het bestemmingsplan "Ede-centrum" en het uitwerkingsplan "Omgeving Raadhuisstraat/Arnhemseweg". De gemeenteraad kende deze vergoeding toe, maar verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank Arnhem wees het beroep van appellant af.

Appellant stelde dat de bouw van het pand "Gelderberg" en de verkeersbelasting door het nieuwe plan niet correct waren meegewogen, en dat de luchtkwaliteit onterecht niet als schadefactor was beschouwd. De Raad van State oordeelde dat de bouwvergunning voor "Gelderberg" niet op een vrijstelling was gebaseerd en dat de planologische mogelijkheden tussen het oude en nieuwe plan marginaal verschilden. Ook was geen sprake van een betekenisvolle toename van verkeersbelasting of luchtverontreiniging.

De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het rapport van Ingenieursbureau Oranjewoud, dat de schade op €9000 begrootte, zorgvuldig was opgesteld en dat de gemeenteraad dit terecht als basis voor zijn besluit had genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200703775/1.
Datum uitspraak: 6 februari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Ede,
tegen de uitspraak in zaak no. 06/3197 van de rechtbank Arnhem van 19 april 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Ede.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft de raad van de gemeente Ede (hierna: de gemeenteraad) appellant € 9000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2005, aan vergoeding van planschade toegekend.
Bij besluit van 27 april 2006 heeft de gemeenteraad het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 april 2007, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 9 oktober 2007 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. K.E. Hendriksen, gemachtigde, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.W. Dorresteijn, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan of een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van Pro de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van Pro de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.
2.3. Appellant is eigenaar van een vrijstaande woning gelegen aan de [locatie] te Ede (hierna: het pand). Appellant heeft de gemeenteraad verzocht hem op grond van artikel 49 van Pro de WRO een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij stelt de lijden door waardevermindering van het pand als gevolg van het op 21 november 1996 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan "Ede-centrum" en het daarop gebaseerde, door burgemeester en wethouders op 22 mei 2001 vastgestelde uitwerkingsplan "Omgeving Raadhuisstraat/Arnhemseweg" (hierna gezamenlijk: het nieuwe plan). Deze plannen zien onder meer op gronden gelegen tegenover het pand en op naastgelegen gronden aan de overzijde van het kruispunt Raadhuisstraat/Arnhemseweg.
2.4. De gemeenteraad heeft dit verzoek ingevolge artikel 5 van Pro de procedureverordening planschadevergoeding 1998 voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie. Deze bestond uit mr. J.H.M. van Iersel en ing. F.L. Frerichs van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. Zij hebben een rapport uitgebracht, gedateerd 20 juli 2005 (hierna: het rapport van Oranjewoud), dat nader is aangevuld bij brief van 7 september 2005. In dit rapport wordt een vergelijking gemaakt tussen het voordien geldende, door de gemeenteraad op 7 november 1985 vastgestelde, bestemmingsplan "Ede-centrum" (hierna: het oude plan) en het nieuwe plan. Geconcludeerd wordt dat appellant als gevolg van het nieuwe plan in een nadeliger positie is komen te verkeren. De schade wordt op € 9000,00 begroot. De gemeenteraad heeft dit advies gevolgd en aan zijn besluiten ten grondslag gelegd.
2.5. Appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in een nadeliger positie is gekomen als gevolg van de planologische ontwikkelingen op gronden gelegen direct ten zuidwesten van de kruising van de Arnhemseweg met de in elkaars verlengde liggende Klinkenbergerweg en Raadhuisstraat (hierna: de kruising), in het bijzonder de bouw op deze locatie van het pand op de hoek Arnhemseweg/Klinkenbergerweg, bestaande uit kantoren en appartementen genaamd "Gelderberg". Hij betoogt in dit verband dat niet is onderkend dat ten onrechte de voor het project "Gelderberg" verleende vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van Pro de WRO, niet in aanmerking is genomen.
2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de betrokken vrijstellingsmogelijkheden onvoldoende door de gemeenteraad bij de beoordeling zijn betrokken. Anders dan appellant heeft gesteld is de bij het besluit van 21 april 1998 voor de "Gelderberg" verstrekte bouwvergunning niet met vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de WRO verleend. Niet kan dan ook worden tegengeworpen dat in de in het rapport van Oranjewoud opgenomen planvergelijking II, die op dit gebied betrekking heeft, geen rekening is gehouden met een dergelijke vrijstelling.
2.5.2. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het uitgangspunt in het rapport van Oranjewoud dat de bouwmogelijkheden op de desbetreffende gronden in het nieuwe plan slechts marginaal verschillen met die in het oude plan en dat daarom geen planologisch nadeliger situatie is ontstaan, niet juist is. Het bebouwingspercentage van 60 is gelijk gebleven, evenals de minimale afstand tussen het object van appellant en de op te richten bebouwing binnen het bestemmingsvlak. Voor wat betreft de hoogte van de bebouwing is niet zonder belang dat in de oude situatie de mogelijkheid bestond tot het aanbrengen van dakkapellen in een schuine kap of de toepassing van een lessenaarsdak waarmee een vergelijkbare ruimtelijke invulling kon worden gerealiseerd als onder het nieuwe regime. Ten slotte heeft de rechtbank ook terecht in aanmerking genomen dat de afstand tussen het pand en de betrokken gronden 52 meter is en dat daartussen de meervermelde - drukke - kruising van wegen ligt.
2.6. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad onvoldoende heeft onderkend dat het nieuwe plan tot een grotere verkeersbelasting zal leiden, die overlast in de vorm van geluidhinder, stankhinder en luchtverontreiniging tot gevolg heeft. Deze overlast leidt tot schade die op grond van artikel 49 WRO Pro voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts klaagt appellant dat in het rapport van Oranjewoud de luchtkwaliteit ten onrechte niet als afzonderlijke schadefactor is beoordeeld.
2.6.1. Dit betoog faalt evenzeer. Niet is gebleken dat in het rapport van Oranjewoud op dit punt een onjuist standpunt is ingenomen. Gelet op de ligging van de met het nieuwe plan te realiseren woningen/kantoorruimte tegenover het pand aan de zeer verkeersintensieve Raadhuisstraat, die een belangrijke doorgaande route in Ede betreft met 12 à 13.000 motorvoertuigen per etmaal in 1993 hetgeen nadien nog is toegenomen, en de (woon)bebouwing die onder het oude regime al mogelijk was, zullen de verkeersbewegingen in de Raadhuisstraat ten gevolge van de planologische wijziging niet betekenisvol toenemen. Voor zover appellant in dit verband nog heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007, in zaak nr.
200604781/1, zij opgemerkt dat deze uitspraak ziet op een situatie waarin het nieuwe plan het planologisch mogelijk maakt dat een provinciale weg wordt aangelegd. Deze situatie is niet op één lijn te stellen met dit geval waar de planologische wijziging geen betrekking heeft op de Raadhuisstraat. In het oude en nieuwe plan is deze straat aangewezen voor verkeersdoeleinden en het nieuwe plan is op dit punt niet ruimer dan het oude plan. Gelet hierop faalt ook de klacht die betrekking heeft op de luchtkwaliteit, die immers samenhangt met de gestelde toegenomen verkeersbelasting.
2.7. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het advies van Oranjewoud onzorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken bevatte dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd, is de Afdeling evenals de rechtbank van oordeel dat de gemeenteraad het rapport van Oranjewoud aan de beoordeling van het verzoek om vergoeding van planschade ten grondslag heeft mogen leggen. Ook hetgeen appellant in dat verband heeft betoogd, treft geen doel.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Ouwehand
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008
224.