ECLI:NL:RVS:2008:BC4251

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200704898/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • W. Konijnenbelt
  • C.W. Mouton
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 planvoorschriften bestemmingsplan Willemspark/Van Eeghenstraat 2002
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring hoger beroep tegen weigering bouwvergunning voor balkons en buitentrappen

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid weigerde op 14 januari 2005 een bouwvergunning voor het plaatsen van twee houten balkons en buitentrappen aan de achtergevels van woningen in Amsterdam. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van wederpartijen deels gegrond verklaarde, stelde het dagelijks bestuur hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de balkons en buitentrappen niet onder de bestemming 'Tuinen' van het bestemmingsplan vallen, omdat deze bouwwerken ten dienste staan van het wonen en niet van de bestemming 'Tuinen'. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het bouwplan binnen de bestemming paste en dat het college de oppervlakte binnen het maximale bebouwingspercentage moest toetsen.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het dagelijks bestuur werd opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het dagelijks bestuur dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

200704898/1.
Datum uitspraak: 13 februari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid, gevestigd te Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 05/4689 van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2007 in het geding tussen:
[wederpartijen],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan [wederpartijen] bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van twee houten balkons en buitentrappen aan de achtergevels van de woningen gelegen aan de [locaties] te Amsterdam.
Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 mei 2007, verzonden op 5 juni 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de weigering van de bouwvergunning, het besluit op bezwaar in zoverre vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen tegen de weigering van de bouwvergunning. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 11 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2007, hoger beroep ingesteld.
[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2008, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en [wederpartijen] zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan waarvoor vergunning is geweigerd, behelst het realiseren van twee balkons met buitentrappen, bevestigd aan de achtergevels van de woningen ter hoogte van de eerste verdieping. De aangevraagde buitentrappen dienen ertoe om via de woonkamers op de eerste verdieping van de panden de tuinen te kunnen bereiken. Die zijn thans uitsluitend te bereiken vanuit het souterrain.
2.2. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat een balkon met buitentrap past in de bestemming "Tuinen" van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Willemspark/Van Eeghenstraat 2002" (hierna: het bestemmingsplan) en dat het college zal moeten onderzoeken of de oppervlakte van het bouwwerk past binnen het in artikel 9 van Pro de planvoorschriften aangegeven maximale bebouwingspercentage.
Het dagelijks bestuur betoogt dat het realiseren van balkons en buitentrappen, die aan het hoofdgebouw worden bevestigd en die een vergroting van het woongenot beogen, niet onder de doeleindenomschrijving van de bestemming "Tuinen" valt. Het stelt dat de rechtbank daarom niet had kunnen toekomen aan de vraag of het bouwplan past binnen het in artikel 9 van Pro de planvoorschriften aangegeven maximale bebouwingspercentage.
2.3. Vaststaat dat op de gronden waarop het bouwplan is voorzien, ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Tuinen" rust.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor:
a. tuinen;
b. bergingen;
c. voetpaden en terrassen;
d. gebouwde parkeervoorzieningen daar waar dat nader op de kaart is aangegeven;
e. ongebouwde parkeervoorzieningen daar waar dat nader op de kaart is aangegeven.
Ingevolge het tweede lid mag op de in het eerste lid genoemde gronden slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde bestemming.
2.4. Uit artikel 9, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften volgt dat de gronden met de bestemming "Tuinen" niet zijn bestemd voor balkons en buitentrappen of daarmee vergelijkbare bouwwerken. Bovendien staan de balkons en buitentrappen blijkens de gedingstukken ten dienste van het wonen, zodat de aanvraag niet ziet op bouwen ten behoeve van de bestemming "Tuinen". De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een balkon met buitentrap in de bestemming "Tuinen" valt en derhalve het college ten onrechte opgedragen te onderzoeken of de oppervlakte van het bouwwerk past binnen het in artikel 9 van Pro de planvoorschriften aangegeven maximale bebouwingspercentage.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. Nu alleen de overwegingen en niet de beslissing van de uitspraak van de rechtbank zijn aangevochten, wordt met dat oordeel volstaan. Het dagelijks bestuur dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van [wederpartijen] te beslissen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep gegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Montagne
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008
374.