ECLI:NL:RVS:2008:BC4500
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheden bij staandehouding en vreemdelingenbewaring
Op 25 oktober 2007 werd een vreemdeling staande gehouden door surveillanten van de politie op het metrostation RAI in Amsterdam vanwege het zitten met voeten op de bank. De verbalisanten vroegen om legitimatie, waarop de vreemdeling niet reageerde, waarna hij werd aangehouden voor identiteitsvaststelling.
De rechtbank had geoordeeld dat de staandehouding en controle op identiteit plaatsvonden op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, waardoor de maatregel van vreemdelingenbewaring werd opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State, die oordeelde dat de staandehouding en controle op identiteit plaatsvonden op basis van andere wettelijke bevoegdheden dan de Vreemdelingenwet 2000, waarover de vreemdelingenrechter niet kan oordelen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen de vreemdelingenbewaring werd ongegrond verklaard.
De Raad van State oordeelde tevens dat de duur van de overbrenging van de vreemdeling van het politiebureau naar de vreemdelingendienst van tweeënhalf uur redelijk was en dat er geen aanleiding was voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen van de bevoegdheden bij staandehouding in vreemdelingenzaken en bevestigt dat controles op identiteit ook kunnen plaatsvinden op basis van andere wetten dan de Vreemdelingenwet 2000.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.