Uitspraak
200402381/1, overweegt de Afdeling dat het college op grond van artikel 11e van het Bssa verplicht was voorschriften te stellen voor de toegestane duur van de opslag van afvalstoffen, ook indien het storten van afval niet is aangevraagd.
Raad van State
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een vergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Gelderland voor het oprichten en exploiteren van een inrichting voor opslag en verwerking van autowrakken. Zij betwist onder meer dat haar inrichting als stortplaats moet worden aangemerkt en dat de gestelde opslagtermijnen in strijd zouden zijn met Europese richtlijnen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het college op grond van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen verplicht was om opslagtermijnen te stellen, ook zonder een stortvergunning. De gestelde termijnen zijn in overeenstemming met het besluit en niet strijdig met de autowrakkenrichtlijn. Verder zijn de vergunningvoorschriften die overlappen met het Besluit beheer autowrakken terecht gesteld.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de eisen aan de vloeistofdichte vloer en de nazorgverplichtingen bodem rechtsgeldig zijn en dat de wijze van registratie van autowrakken voldoet aan de voorschriften. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningvoorschriften wordt ongegrond verklaard.