Uitspraak
200703625/1.
200703625/1, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 april 2007 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.
Raad van State
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde op 5 maart 2008 het verzoek van verzoeker om herziening van een eerdere uitspraak van 7 november 2007, waarin zijn hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem was afgewezen.
Verzoeker stelde dat de uitspraak procedurele manco's, onvolledigheden en onjuistheden bevatte, en voerde aan dat het procesverloop onvolledig was weergegeven. De Afdeling oordeelde echter dat deze argumenten geen feiten of omstandigheden bevatten die aan de strenge criteria van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voldoen.
De Afdeling benadrukte dat het herzieningsverzoek alleen kan slagen indien er feiten of omstandigheden zijn die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, bij de verzoeker niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
Omdat verzoeker geen dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, werd het verzoek afgewezen. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door lid van de enkelvoudige kamer M. Vlasblom.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.