ECLI:NL:RVS:2008:BC5983
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidiaire bescherming op grond van individuele bedreiging door gewapend conflict in Burundi
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Justitie op 12 februari 2007 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG, waarin ernstige schade wordt gedefinieerd als ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De vraag was of in Burundi op het moment van het besluit sprake was van een dergelijk gewapend conflict.
De vreemdeling verwees naar een rapport van Human Rights Watch uit februari 2006 dat een binnenlands gewapend conflict in Burundi beschreef. De Raad van State oordeelde echter dat dit rapport verouderd was en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat het conflict nog voortduurde op het moment van het besluit in februari 2007.
De Raad van State bevestigde dat zonder een bestaand gewapend conflict geen aanspraak op bescherming op grond van artikel 15 lid Pro c kan worden gemaakt. De klacht dat de rechtbank voorbij was gegaan aan prejudiciële vragen van het Hof van Justitie werd verworpen. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.