ECLI:NL:RVS:2008:BC7106

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200704452/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.W.L. Loeb
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WROArt. 27 WROArt. 54 lid 2 WROArt. 56 lid 1 WROArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen goedkeuring bestemmingsplan Julianadorp Midden 2006

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft op 20 april 2007 het bestemmingsplan "Julianadorp Midden 2006" goedgekeurd, vastgesteld door de gemeenteraad van Den Helder. Appellanten hebben tegen dit collegebesluit beroep ingesteld bij de Raad van State.

De Raad heeft vastgesteld dat appellanten geen bedenkingen tegen het bestemmingsplan bij het college hebben ingebracht tijdens de wettelijk voorgeschreven terinzagelegging. Volgens de Wet op de Ruimtelijke Ordening is beroep alleen mogelijk voor belanghebbenden die bedenkingen hebben ingebracht, tenzij het redelijkerwijs niet verweten kan worden dat zij dit niet deden.

Appellanten voerden aan niet persoonlijk op de hoogte te zijn gesteld van de gewijzigde vaststelling en dat bewoners van hun hofje geen inzage hadden gehad, maar de Raad oordeelde dat hiervoor geen wettelijke verplichting bestaat. Bovendien was het plan zes weken ter inzage gelegd en waren appellanten op de hoogte van het voornemen tot wijziging. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 maart 2008.

Uitkomst: Het beroep tegen het collegebesluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingebracht bedenkingen.

Uitspraak

200704452/1.
Datum uitspraak: 19 maart 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Op 20 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van
Noord-Holland (hierna: het college) over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Den Helder (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Julianadorp Midden 2006" (hierna: het plan) besloten.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de gemeente Den Helder ingekomen op 12 juni 2007, beroep ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van Den Helder heeft het beroepschrift naar de Raad van State doorgezonden.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2008, waar [appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Tevens is daar de raad, vertegenwoordigd door H.J. Winter, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge de artikelen 26 en 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, wordt het door de raad vastgestelde bestemmingsplan voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd en kunnen gedurende deze termijn bedenkingen worden ingebracht bij het college.
Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het bestemmingsplan bedenkingen heeft ingebracht bij het college.
Dit is slechts anders, indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bedenkingen heeft ingebracht.
2.2. [appellanten] hebben geen bedenkingen tegen het plan bij het college ingebracht. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat [appellanten] dat redelijkerwijs niet kan worden verweten in evenbedoelde zin. Dat zij, zoals zij stellen, niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van de gewijzigde vaststelling van het plan en de bewoners van het hofje, waartoe zij behoren, geen inzage in het vastgestelde plan hebben gehad, leidt niet tot dat oordeel omdat in de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift, is voorgeschreven dat het gemeentebestuur in een geval, als thans aan de orde, eventuele belanghebbenden van de terinzagelegging van een vastgesteld bestemmingsplan in kennis moet stellen en ook anderszins geen grond bestaat om zodanige verplichting aan te nemen.
Voorts heeft het vastgestelde plan volgens de niet betwiste publicaties met ingang van 16 februari 2007 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Daarbij is er op gewezen dat een ieder gedurende de terinzagelegging schriftelijk en mondeling bedenkingen bij het college kan indienen tegen de wijzigingen die de raad bij de vaststelling van het plan heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp ervan. Het was aan [appellanten] om er desgewenst voor te zorgen dat zij op de hoogte waren van gemeentelijke aankondigingen. Overigens blijkt uit hun brief van 30 januari 2007 aan de raad dat zij op de hoogte waren van het voornemen van de raad het plan gewijzigd vast te stellen.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Bosnjakovic
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008
410-547.