ECLI:NL:RVS:2008:BC7145
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- J. van de Kolk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep vreemdeling inzake overdracht asielaanvraag aan Verenigd Koninkrijk
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen zijn overdracht aan het Verenigd Koninkrijk voor de behandeling van zijn asielaanvraag, stellende dat hij daar geen bescherming zou krijgen en risico loopt op indirect refoulement naar Iran. Hij voerde aan dat het Verenigd Koninkrijk zijn asielprocedure tot in hoogste instantie heeft doorlopen en dat hij in Nederland een gunstiger beschermingsbeleid zou genieten.
De voorzieningenrechter had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en een verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te schorsen afgewezen. De Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het Verenigd Koninkrijk geacht wordt zijn internationale verplichtingen na te komen en dat de vreemdeling onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om het tegendeel aan te tonen.
Ook het argument dat de overdrachtstermijn van zes maanden was overschreden faalt, omdat opschortende werking van het hoger beroep de termijn verlengt. De Raad van State concludeert dat het Nederlandse asielbeleid ten opzichte van bepaalde groepen Iraanse asielzoekers niet kan leiden tot het aan zich trekken van de asielaanvraag. Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de overdracht van de asielaanvraag aan het Verenigd Koninkrijk bevestigd.