ECLI:NL:RVS:2008:BC8555
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor openbare orde ondanks bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht op 12 juni 2001 om naturalisatie, maar dit verzoek werd op 26 januari 2006 door de minister afgewezen vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een veroordeling wegens strafbare feiten gepleegd tussen 1998 en 2005, met een rehabilitatieperiode die op 5 april 2006 begon.
Appellant voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals een positief advies van de gemeente en een 1(F)-onderzoek dat niet tot intrekking van zijn verblijfsvergunning leidde, tot afwijking van het beleid hadden moeten leiden. Ook stelde hij dat de stress door het 1(F)-onderzoek mede aanleiding was voor zijn strafbare feiten.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat deze omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat appellant geen gevaar vormt voor de openbare orde. De Handleiding bij de Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft terughoudendheid voor bij afwijking van het beleid en sluit omstandigheden die hebben bijgedragen aan het misdrijf uit als reden voor afwijking.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Zutphen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.