AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening in bezwaar tegen bouwvergunning dakopbouw te Haarlem
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem had op 11 mei 2007 het bezwaar van wederpartijen tegen een bouwvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw aan een locatie in Haarlem ongegrond verklaard. De rechtbank Haarlem verklaarde dit besluit op 19 december 2007 echter ongegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het college om een nieuw besluit te nemen.
Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te bepalen dat het geen nieuw besluit hoefde te nemen zolang het hoger beroep loopt. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde dit verzoek op 27 maart 2008.
De voorzitter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening gegrond was, mede omdat de dakopbouw reeds was gerealiseerd en wederpartijen geen belangen hadden gesteld die zich tegen het verzoek verzetten. Daarom werd bepaald dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Raad van State over het hoger beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem hoeft geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar totdat de Raad van State over het hoger beroep heeft beslist.
Uitspraak
200800773/3.
Datum uitspraak: 4 april 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4044 van de rechtbank Haarlem van 19 december 2007 in het geding tussen:
[wederpartijen], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) wederom het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2005, waarbij aan [vergunninghouder] bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een dakopbouw aan de [locatie] te Haarlem, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2007, verzonden op 21 december 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 mei 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 maart 2008, waar het college, vertegenwoordigd door R. de Vries en drs. J.M.M. Jacobs, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartijen], in persoon en bijgestaan door mr. P.J. van den Broeke, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek strekt ertoe bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het college in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen nieuw besluit op het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar hoeft te nemen. Nu de vergunde dakopbouw reeds is gerealiseerd en in de reactie van [wederpartijen] op het verzoek om voorlopige voorziening noch ter zitting belangen zijn gesteld die zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.