Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2008:BC9060

Raad van State

Datum uitspraak
9 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200705749/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning bedrijfswoning buiten bebouwingsvlak in agrarisch gebied

Het college van burgemeester en wethouders van Lopik weigerde op 22 februari 2005 een bouwvergunning voor een bedrijfswoning op een perceel met bestemming 'Agrarische doeleinden'. Het bouwplan lag buiten het bebouwingsvlak, wat strijdig is met het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Benschop'.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde onder meer dat het belang van het wonen bij het bedrijf zwaarder moest wegen en dat de woning niet als tweede bedrijfswoning mocht worden aangemerkt. Ook voerde hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan.

De Raad van State oordeelde dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en terecht het provinciale beleid heeft gevolgd om het open karakter van het landelijk gebied te behouden. De rechtbank heeft de juiste afweging gemaakt en het beroep van appellant faalde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200705749/1.
Datum uitspraak: 9 april 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. SBR 06/1296 van de rechtbank Utrecht
van 3 juli 2007 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lopik.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lopik (hierna: het college) geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie] te [plaats], gemeente Lopik (hierna: het perceel).
Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2007, verzonden op 4 juli 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. B.W. Maris, en het college, vertegenwoordigd door A.C.P. Bekker-Kerssen en J.C. van Kats, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Benschop"rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden (A)".
Ingevolge artikel 6, lid A, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften - voor zover hier van belang - zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, agrarische bedrijfswoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande, dat binnen de gebieden gelegen binnen de op de kaart gegeven nadere aanwijzing "kernrandzone" slechts agrarische bedrijven zijn toegestaan, die gelet op hun ligging, aard, en omvang ten opzichte van de in de nabijheid gelegen (en te verwachten) functies een zodanige beperkte milieuhinder zullen veroorzaken dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschaad.
Ingevolge artikel 6, lid B I, sub 1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de in lid A bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, welke rechtstreeks ten dienste staan van en noodzakelijk zijn voor de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.
2.2. Vaststaat dat het bouwplan voor de bedrijfswoning is gelegen buiten het bebouwingsvlak, zodat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
2.3. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college bij het weigeren van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de bouw van de agrarische woning, de betrokken belangen met de vereiste zorgvuldigheid heeft afgewogen, waarbij het college aan het belang van [appellant] om bij zijn bedrijf te wonen geen doorslaggevende betekenis heeft behoeven toe te kennen. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat de bouw van de woning in strijd is met het gevoerde provinciaal ruimtelijk planologisch beleid om het open karakter van het landelijk gebied te behouden en voorts dat [appellant] zijn bedrijf heeft gesplitst, waarna hij het deel van het oorspronkelijke agrarische perceel met het bebouwingsvlak en de daarbij behorende bedrijfswoning aan een derde in eigendom heeft overgedragen.
2.4. Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de door hem gewenste bedrijfswoning als een tweede bedrijfswoning heeft aangemerkt, omdat de oorspronkelijke bedrijfswoning van [appellant], ook al is deze intussen aan een derde in eigendom overgedragen en niet meer beschikbaar voor diens agrarisch bedrijf, nog steeds bestaat en derhalve niet buiten beschouwing kan worden gelaten.
2.5. Het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel faalt. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de aan [maatschap] te [plaats] verleende vrijstelling, waar [appellant] naar heeft verwezen, geen gelijk geval is, omdat in dat geval sprake was van een algehele verplaatsing van het bedrijf in verband met de aanwezige milieucirkels, hetgeen in het onderhavige geval niet aan de orde is.
2.6. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008
202.