ECLI:NL:RVS:2008:BC9079
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging strafrechtelijke veroordeling
Appellant kreeg in november 2002 het Nederlanderschap verleend, maar dit is in december 2004 ingetrokken wegens verzwijging van een strafrechtelijke veroordeling uit Turkije voor drugssmokkel. De minister verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en de rechtbank Amsterdam bevestigde dit in juli 2007. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de intrekking op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 gerechtvaardigd is wanneer sprake is van bedrog of verzwijging van relevante feiten. Appellant had bij zijn naturalisatieverzoek een waarheidsverklaring ondertekend waarin hij onjuist verklaarde niet strafrechtelijk vervolgd te zijn. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel en analfabetisme faalde omdat hij verantwoordelijk is voor het verstrekken van volledige en juiste informatie.
De Raad concludeerde dat de belangenafweging door de minister voldoende gemotiveerd was en niet disproportioneel. Ook was de rechtbank bevoegd het beroep te behandelen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wegens verzwijging van een strafrechtelijke veroordeling wordt bevestigd.